Inleiding voor V(ergelijkend) W(aren) O(nderzoek)-(st)ers
Een sprookje voor doolhofdenkers en andere cryptici
KWTT 2004
 

home


We schrijven slachtmaand 2004. Het is herfstig nat en koud als kabouter Plop en zijn vriendje Pennetje hersenspoelselend bij elkaar zitten onder het genot van een kopje versgebrande Eikeltjeskoffie uit het Achterhoekse Woold. “Dat een mens zo diep kan zinken”, mijmert Pennetje als hij de belevenissen en ontwikkelingen over de eilanden bij de Grote Zee leest. Hoe kunnen mensenkinderen zo ver in ons domein wroeten, terwijl wij als hoogontwikkelder kabouters niet verder komen dan 65 kaboutervoet. Daar moet nader onderzoek naar komen. Pennetje en Plop gaan op reis om zelf bij de Grote Zee poolshoogte te nemen. Ze schakelen een ganzenkoerierdienst in: “Taxi. We willen gaan spitten.” (= Kabouters voor zoeken en ontdekken.) De gedachte alleen al is bij kabouters voldoende om een “vliegende bedstee” te mobiliseren. Een trouwe vriend Valerie, die ook muzikale ganzenschrijver is, komt voorvliegen en ze slaan op de vlucht.

Het is een mooie heldere dag en zo kunnen ze goed alle details beneden waarnemen. P&P zingen tweestemmig (als kabouterbas en tenor) de rijtjes uit de Aardrijkskundelessen op vrolijk klassieke toon, terwijl het toch eigenlijk saaie monotone reeksen zijn. Wat een prachtige natuurmomenten beleef je zo. Gelukkig heeft niemand in de gaten dat hun trekgans passagiers aan boord heeft. Ze kunnen laag vliegen, doordat hun koerier kans ziet 100,66 vleugelslagen per minuut te maken. Een record voor een trekgans, want normaal gesproken kunnen alleen rotganzen deze snelheid overtreffen. De mensenkinderen hebben het kabouterscheldwoord rotgans als soortnaam aangenomen, maar sommigen hebben daar geen weet van. Een vergissing die menselijk is, zo weten P&P, want in het Groot Winkie Podium vinden ze een overgeleverd verhaal van een mensenkind, die de woorden van inboorlingen verkeerd had verstaan. Dat zou bijna hebben geleid tot een “ernstig onderhoud bij een cactus”, zoals P&P via een wijsheid van Vader op Zoon hadden geleerd. Hun rode kabouterbroeders wisten toen nog niet dat in het land, dat verkeerd werd benoemd, geen cactaceeën groeiden.

Af en toe lijkt het alsof Valerie staat te bidden als een “oude man”, zoals iedereen dat kent van Ernst de valk. Ze zien veel plekken waar mensenkinderen met geheimzinnig zoemende en bliepende apparaatjes rondlopen. Valerie gaat nog wat lager vliegen. P&P zijn “als de dood” dat ze worden ontdekt en dat een eenzame jager voor “Drama” kan zorgen. Maak je geen zorgen, we zijn niet ge-4-en, zegt Valerie daarbij een wijsheid debiterend: “een pottenbakker ziet eerder blauw voor rood, dan dat kabouters op een gouden wolk in slaap vallen (= naar het kabouterhiernamaals gaan)”. “Die mensenkinderen zoeken naar schatten”, weet Valerie te melden. “Ik was in de buurt toen een valkenier op een paard werd opgegraven.” Een Ernst-jager, fluisteren P&P eerbiedig, dan zat je behoorlijk in de nesten Valerie. “Ha, ha,” weerkaatst Valerie, “het zijn stenen afgietsels, geen echte”. Oh, gelukkig, dan zagen we de toekomst voor jou even te realistisch.

P&P overwinnen hun angst en kijken over de vleugels naar beneden. Die mensenkinderen zijn niet aan het werk, ze liggen voor “koop niet meer”. “Moet je die voeten zien”, zegt Pennetje. Wij dragen gewoon reeleren sandalen, maar die mensenkinderen hebben allemaal verschillende sandalen. “Zou ieder mensenkind een eigen sandaalafgietsel hebben” vraagt Plop hardop, maar meer in zichzelf. Pennetje krabt met zijn schrijfvinger over zijn (daardoor?) ietwat kalende voorhoofd. Plop weet meteen, dat Pennetje daarmee de vraag entert oftewel opslaat voor later. “Daar kun je paling in het zuur onder verwedden, dat ze niet allemaal verschillend zijn” zegt Pennetje en houdt het “onder”-werp voor uitgewandeld.

We liggen aardig op schema, meldt Valerie even later. We vliegen nu koers 191x374, maar we zullen als de eerste de beste tot het uiterste moeten gaan om de Heilige Kaap nog voor het einde van de dag te kunnen zien. “Hoe weet je dan dat je bij de Heilige Kaap bent”, vraagt Plop. Nog voor Valerie iets kan zeggen, klinkt Pennetje zelfverzekerd: “Als jij net als Valerie meer dan 113x de lucht in was geweest, oriënteerde je je op de zon en ’s nachts op de sterren.” Allemaal mooi en aardig, maar er zijn ook vallende sterren en de zon verdwijnt ook achter de wolken. Dan ben je dus de weg kwijt. “Een ster raakt nooit ontzeild op een Hongaarse poesta, hè Valerie?” glimlacht Pennetje. Dat weet ik nog niet zo net en bovendien komen er ook nieuwe sterren bij, mormelt Plop.

De spanning en discussie wordt gebroken door hevig geblaf. “Jagers in de nesten”, oppert Valerie. ‘k Geloof het niet, zegt Plop, ik meen te horen dat het van de ijzeren draden komt, die over de grond gespannen zijn. “Je hebt teveel duizeldrank ingenomen”, zegt Valerie. Dat is redelijkerwijs door jou niet te constateren, kwekt Plop terug. Die blaffers herken ik nog van vorig jaar. Dat zijn geen bloemenjagers, maar natte en gladde speurneuzen. Zij kruisen de degens. “Dan zijn we dus geblaf op het spoor”, krabt Pennetje enterend op zijn voorhoofd.

“We zijn er bijna.” Valerie begint te dalen. “Ik zoek 369, jongens. Ze hebben net het licht uitgedaan. Kijk even mee.” P&P buigen over de gans. Je kan duidelijk omspoeld land zien en verderop weerkaatst de maansikkel in de Grote Zee. “Is dit nu het land van Johanna en Martina, waar je over vertelde Valerie?” “Nee, dit is Babbelland. Ze hebben hier babbelaars, lekkere gerechten en bijzondere drankjes bij het eten. Hebben jullie wel eens van Pruttelkulletjes gehoord?”, vraagt Valerie. Daar, daar zie ik geloof ik 692, meldt Plop er tussendoor. “692, dat is heel wat anders, domkop”, kwekt Pennetje, “je ziet Moon in Zee door je stoffige rechterglas”. Pennetje kijkt eens goed en op de grens van land en water ontwaart hij een keerpunt. Daarop staan drie cijfers: 369. “We zijn er. Nu nog een warm bad voor de koningin”, grapt Valerie.

“Hadden we onze vrouwtjes er maar bij”, klaagt Pennetje. “Nu wordt het bonken zonder TBS-noteringen en zullen we met wisselend succes met elkaar moeten dobbelen.” ’t Blijft even stil. Plop wikkelt zich in een groen kleed en zet zich helemaal in stijl op een bloemenbank, ook wel “befleurd hardmannetje” genoemd. (Onnozele mensenkinderen spreken dan van “besmeurde stoelen”.) “Alles hep zijn nadeel, maar het voordeel is dat wij als A.A. geen bloedtest nodig hebben”, profeteert Pennetje na de laatste nieuwtjes in de Babbelbode te hebben gelezen. “Hij lijkt wel een dominees zoon”, mijmert Plop even in zichzelf, “hij zou zo een primeur af kunnen kondigen in een mensenkinderentempel”. Maar dat is dom stads gedacht, realiseert hij zich.

’t Is goed toeven in Babbelland, in het mensendorp onder de kabouterboom bij het stenen beeld opgericht voor een wonderbaarlijke vissen- bewaarder. Voor P&P worden liefdevol opgepoetste groene blaadjes met snoskommers geserveerd. “Complimenten voor de chef-kok, hij verdient een sterretje” melden P&P uitbuikend en verheerlijken als echte vegetaristen de roomsoezen met jus. Bij de Eikeltjeskoffie van “een ander vrouwtje” snoepen zij taart van kreeftenbrij. Tot slot drinken ze aan de eikenbar melk met beestjes. Allemaal delicatessen voor kabouters en kleine mensenkinderen. Ondertussen zijn nieuwe ideeën opgeborreld, die van pas zullen komen rond X-mas 2004. Pennetje krabt voor de zekerheid nog maar eens op zijn voorhoofd. Pruttelkulletjes, die houden we er in, hoor je hem mompelen.



     Kabouter Plop      



“Hersenspoelsel van kabouters laat zich door mensenkinderen niet gemakkelijk oplossen, laat staan verorberen.”
Plop Yeats

 



naar boven